![]() |
![]() |
|
|
Een bewerking van de Lezing in Schloss Moyland 1 juli 2006:
‘Die Gestaltverwandlung.’
15 oktober 2006
Ter gelegenheid van de tentoonstelling IDENTITY! in de Oude Kerk te Amsterdam:
1. Goedemiddag
Welkom in deze prachtige kerk. Deze kerk die vorige maand 700 jaar bestond. In Trouw werd het hier de ‘Oudste Stilte van Amsterdam’ genoemd
Voor ik me nader voorstel. Eerst dit.
Ik zal u meteen zeggen wat me fascineert:
Het is iets heel zintuiglijk. Schilderen.
Zeker zoals ik het doe. In het eerste begin van een schilderij is het vooral smeren, wrijven, duwen, schuiven en dan weer van die ritmisch draaiende vingerbewegingen in de traag glijdende olie en verf. Tijdens het schilderen is er dan opeens … dat moment.
Het altijd weer verrassende moment als het schildersmateriaal verandert in ‘IETS’. Opeens is het niet meer slechts een uitgesmeerde smeuïge massa, die zich hecht aan de ondergrond. Opeens is er ‘IETS’.
Die plotselinge overgang van het gewone alledaagse materiaal in een ‘IETS’.
Het is het eerste moment van kunst.
Het is een gedaanteverwisseling die optreedt.
In het Duits hebben ze daarvoor het prachtige woord: die Gestaltverwandlung.
De Gestalt van de uitgewreven, klevende verf verandert in de Gestalt van een ‘IETS’.
Het is een broos moment. Het is als het eerste moment van ontwaken.
Het moment waarop we of de dag ingaan of … weer terugglijden in grenzeloze leegte:
Om het met ‘dieVerwandlung’ van Kafka te zeggen: Gregor Samsa is bijna, nog net niet helemaal wakker…
De metamorfose- die zich op dat moment voor een deel in mijn verbeelding afspeelt (ik zie namelijk meteen mogelijkheden), speelt zich voor het cruciale deel werkelijk voor mijn ogen af.
Het ‘IETS’; een subtiel fenomeen dat opdoemt, dat alleen nog door een geoefend oog of een nauw betrokkene opgemerkt kan worden:
In een verrassende onderlinge verhouding tot elkaar zijn de vlekken en vegen in hun bij vluchtige doorzichtigheid een broze samenhang aangegaan. Er staat iets …
Een pril begin van een nog onbekend scheppingsverhaal.
Dit ter introductie van het thema van deze lezing: welkom in mijn fascinatie
Goedemiddag II
Ik ben Louis van Marissing. Ik combineer het kunstenaarschap met een dienstverlenende praktijk als kunsttherapeut.
Deze lezing wordt een verhaal over mijn manier van werken in mijn, dit jaar 30 jarige, ervaring als kunsttherapeut en beeldend kunstenaar.
Deze lezing heb ik in juni ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Metamorphosis’ van Marc Lüpertz in museum Schloss Moyland. Het Joseph Beuysmuseum in de buurt van Kleve.
Ik ben toen gevraagd vanwege mijn dubbele beroepsidentiteit (IDENTITY!): hier staat voor u een kunstenaar èn een therapeut.
Schloss Moyland (ism met de Rheinische Landeskliniek Bettburg Hau – de grootste psychiatrische kliniek in Duitsland -) presenteert een lezingencyclus met als overkoepeld thema het bekende Joseph Beuys-thema : Leben = Kunst = Therapie.
Daarmee ben ik aan de slag gegaan.
Voor mij is de lezing is een gelegenheid om onder woorden te brengen wat ik tijdens het schilderen ervaar en als vanzelf, schijnbaar moeiteloos, blijk te weten.
Schilderen is een fysieke manier van denken. De inzichten ontstaan uit mijn handen en zijn meestal woordloos.
Een lezing als deze, dwingt mij om de vanzelfzwijgende ervaring van het schilderen via woorden ( ook voor mezelf) te verhelderen.
Ik betoog vaak dat schilderen plaatsvindt op het kruispunt van onbegrensde vrijheid (alles kan) en de gedisciplineerde precisie van een chirurgische ingreep.
Die precisie verkrijg ik onder anderen via mijn ontwikkeling van de ambachtelijke kant van het schildersvak, maar zeker ook door in woorden scherp te worden, me voor het blok te zetten en de uitnodiging voor een lezing als deze op te nemen.
In deze lezing staat het maken van kunst centraal. Mijn concrete werkwijze in kunsttherapie komt niet aan de orde. Dat is een andere lezing: ’De therapie als kunstwerk van de therapeut.’ (1998).
2. Kunstenaar en kunsttherapeut: een wisselwerking
De kunstenaar en de kunsttherapeut zijn elkaars aantrekkelijke tegenpolen.
Als kunsttherapeut put ik uit de geschiedenis van vormgeven. Dat wat kunstenaars in de loop der eeuwen hebben ontwikkeld en vormgegeven is een ongelofelijke reservoir aan vorm-experimenten, expressiemogelijkheden, technieken en praktische toepassingen. Dat reservoir van dat wat we de cultuur- en kunstgeschiedenis noemen, stel ik als kunsttherapeut ter beschikking van de cliënt en diens therapie.
Kunsttherapie is een toegepaste kunst zoals design, architectuur en typografie toegepaste kunsten zijn. Zonder de ontwikkelingen in de moderne kunst van de 20e eeuw is kunsttherapie ondenkbaar.
Ik kan mijn cliënten – bijvoorbeeld – laten krassen omdat we in de moderne kunst hebben geleerd dat een lijn op zich; het krassen zelf, belangwekkend en betekenisvol kan zijn.
De manier waarop cliënten hun leven vormgeven is vaak uit nood geboren. Angst, onvermogen en andere narigheid heeft tot verstarring, vervlakking en eenzijdigheid geleid.
Als kunsttherapeut bezie ik mijn cliënten, hun problematiek en hun kwaliteiten vanuit mijn visie op vormgeven. Ik doe bij hen een appèl op hun vaak verborgen vermogen tot vormgeven en vindingrijkheid.
Als kunsttherapeut werk ik binnen een complex van sociaal maatschappelijke codes en afspraken. Daarbinnen is therapie is een afgebakende, uitzonderlijke afspraak. Therapie is een kunstmatige situatie met een bepaalde rolverdeling en meestal hoog gespannen verwachtingen. (en terecht)
Als gevolg van de ontwikkelingen van de moderne kunst in de 20ste eeuw, opereer ik als kunstenaar aan de tegenpool van het geïntegreerd maatschappelijk functioneren:
Als kunstenaar is de voornaamste drijfveer: mijn drang tot maken. Mijn gedreven behoefte om met mijn handen in het materiaal tot vorm te komen. Enigszins tot mijn eigen verbazing is die drang er nog steeds. Het is dezelfde drang die alle kinderen doet schilderen en tekenen. De meeste kinderen houden daar rond hun puberteit mee op. Ik niet. Ik heb die innerlijke drang tot schilderen nog steeds.
Ik heb ‘m geprofessionaliseerd zoals dat in het moderne managementjargon heet.
In tegenstelling tot de kunsttherapeut heb ik als kunstenaar geen duidelijk extern kader van verantwoordelijkheden, verplichtingen en richtlijnen. Materiaal, tijd, grootte, hoeveelheid, techniek, onderwerp, hoogte, breedte, diepte worden niet door anderen of afspraken bepaald. Alles staat voor me open.
Dat is deels fantastisch, maar is soms ook overweldigend groot en wezenloos onafgebakend.
Het eerder genoemde reservoir van de cultuur en kunstgeschiedenis is hier mijn achtergrond: De moderne kunst heeft me een rijke, maar in dit tijdsgewricht voorbij de postmoderniteit een wat ongereguleerde traditie nagelaten.
Vanuit mijn ervaring als therapeut bezien is het verschil heel groot: Er zit niet niemand in noodzakelijkheid te wachten op dat wat ik in de kunst doe. Worden in het gewone leven ook mijn daden voor het merendeel gedicteerd door nut, dwang en plichtbesef; bij het werk op mijn atelier is dat niet aan de orde.
Zonder directe aanleiding is er die drang, die onweerstaanbare behoefte om zoekend – tastend – te bewegen.
Uit die innerlijke drang ontstaat de impuls. De impuls drijft de beweging.
En de beweging focust zich tot handelingen met verf, zand, olie, kwasten en ander gereedschap.
Tastend breng ik (steeds weer opnieuw) lijn in het in - principe vormeloos, onbegrensde van het hedendaagse kunstenaarsbestaan.
Dat kunstenaarsbestaan van tastend op zoek in het onbegrensde heeft een wonderlijk gevolg.
Het is een lastig te benoemen ervaring. Ik ga het proberen met twee dichtregels van Rainer Maria Rilke:
Er der vergisst was wir erfahren
und der erfärt was uns verweist.
Al heel lang zijn dit mijn favoriete dichtregels.
Intrigerende, raadselachtige zinnen waar ik steeds weer nieuwe inzichten aan ontleen.
Het in deze regels beschrevene is, voor mij, een houding die ik als therapeut nastreef en voor mij als kunstenaar een basishouding.
Want als ik schilder en dat wat ontstaat gaat kloppen, dan ben ik de concrete ervaring vergeten en ervaar ik de bevrijdende ruimte van dat wat naar ‘ons’ verwijst.
Als het schilderen ‘lukt’ of ‘klopt’, verwijst het naar iets wezenlijks, iets onuitsprekelijks.
Omdat gelukte schilderijen een wonderlijke meerduidigheid hebben, zijn er tegelijkertijd op verschillende niveau’s vele duidingen en betekenissen mogelijk. Vele duidingen en betekenissen, die verwijzen naar lagen van onze existentie.
Voor mij is schilderen een actieve vorm van mediteren. Letterlijk met de handen in de materie ontstaat er zowel leegte als ontluikende inzichten.
Nog iets over de wisselwerking van de kunsttherapeut en de kunstenaar.
Mijn ervaring als kunsttherapeut heeft mijn denken over de functie van kunst en in het bijzonder die van mijn schilderijen zeer beïnvloedt.
Bijvoorbeeld. In het kader van kunsttherapie heb ik veel met rituelen gewerkt.
Rituelen zijn zorgvuldig georkestreerde reeksen van handelingen, waarin de deelnemers aan het ritueel de gelegenheid wordt geboden om dàt te ervaren, wat er -voor hen - op dat moment wezenlijk toe doet.
Rituelen zijn net als therapieën uitzonderlijk.
Rituelen zijn net als therapieën kunstmatig en vinden ook buiten de alledaagse discipline van sociale code en oorzaak – en – gevolg plaats.
Rituelen, therapie en kunst ontlenen hun kracht aan hun positie (net even) los van de alledaagse orde, terwijl ze tegelijkertijd in voortdurende wisselwerking met die alledaagse orde zijn.
3. Het wordt tijd om het nader over Vormgeven te hebben
In het atelier 1.
Over de ambachtelijke, zintuiglijke techniek van schilderen:
Meestal schilder ik op karton, dubbelzijdig beplakt karton. Vanuit mijn geschiedenis als tekenaar (jarenlang was pen en inkt mijn artistieke voertuig: ik maakte nauwkeurig uitgewerkte tekeningen; een letterlijk tot in de puntjes verzorgd persoonlijk universum) …..
Waarschijnlijk vanuit mijn geschiedenis als tekenaar schilder ik het het liefstop karton. Linnen ( het doek) blijft voor mij eigenlijk altijd een vreemd ‘textiel’-fenomeen.
Vanuit mijn tekengeschiedenis is papier en karton een vertrouwd ‘ thuis’, van waaruit ik vrijelijk en gericht experimenten kan – op ontdekkingstocht kan.
De wit-kartonnen platen zet ik in de lijnolie. Het droge karton zuigt liters olie op tot het doordrenkt is. Drogend stolt de olie in de vezels van het karton tot een nieuw materiaal.
(ooit maakte ik een serie tekeningen en schilderijen met de titel coagulation: stolling)
Het strak-droge witte karton wordt een warme huidachtige aanraakbaarheid, tegelijkertijd tanig, stevig en transparantie.
De eerste lagen verf wrijf ik in met de hand. Op die manier verover ik het nog ongerepte ‘olie-karton’. Ik krijg er verbinding mee en het karton verwerft een eerste eigenheid. Die eerste lagen zijn meestal zeer transparante tekeninkt of de pregnante kleuren van airbrush-verf. Het vettige olie-karton heeft in eerste instantie de neiging waterverf af te stoten. Ik wrijf ‘t krachtdadig in tot de olie en de kleurstoffen van de tekeninkt samengaan. De pigmenten van inkt en verf hechten zich aan de vezels van het karton. Er ligt op mijn atelier meestal een stapel olie-kartonnen te drogen: het gewicht drukt de verf, olie en het karton in elkaar. De samengeperste stolling laat organische sporen na.
Daar hou ik van: het schilderproces zet zich voort zonder dat ik er direct bij betrokken ben.
Ik heb geen idee, of vooropgezet plan als ik schilder. Zoals gezegd heb ik de drang èn ik heb een procédé. Het is een variabel procédé met altijd weer onverwachte gevolgen. De eerste ingrepen op het oliekarton leggen de eerste fysieke indrukken (letterlijk) vast. Ik heb dus geen gericht idee. Er is sprake van een attitude, een houding: een manier hoe ik me tot de oliekartonnen ondergrond en de schildermaterie verhoud.
Want dat is wat ik, in wezen, doe:
ik verhoud me tot dat wat er is en dat wat ontstaat.
En dat doe ik zowel in het schilderen als in therapie.
Het is een bewegelijke, me-afstemmende houding. Ontvankelijk én initiërend tegelijkertijd. Het is concentratie én openstaan tegelijkertijd.
We gaan nog even door over Vormgeven
En weer terug in mijn atelier :
Het schilderij staat op de ezel en is al in een verder gevorderd stadium. De hele tijd loop ik heen en weer.
Heel dichtbij, ik ga veraf, zitten, kijken, even iets anders doen en weer terug. Het gaat goed. Er gebeurt waar ik van hou.
Mijn bewegingen zijn; ritmisch als een dans en kijk! de vlekken en vegen krijgen een steeds meer uitgesproken notie van samenhang.
Ik ben op mijn hoede want de nog broze samenhang verandert voortdurend bij elke nieuwe transparante verf laag. Elk moment kan ie weer verloren gaan. Dat is op zich niet erg. Er ontstaat altijd iets anders. Waartoe ik me dan weer ga verhouden.
Wel erg is het als de verschillende elementen, die zich als het ware jonglerend tot elkaar verhouden, vast komen te zitten in een - te vroeg – uitgesproken, starre vorm.
De verf slibt dicht en het leven is er uit.
Àls dat echt gebeurt, is het enige dat nog helpt: de staalborstel.
Het moet soms met grof geweld of subtieler met zeer welgemikte raspende halen, zodat de staalborstel de plaatselijke verstarring weer tot leven wekt.
Anish Kapoor (de door mij zeer bewonderde Indiaas – Britse kunstenaar) heeft ooit gezegd dat hij beitelend in het oppervlak van een steen leven inbrengt . Of beter gezegd, dat hij dat op z’n minst poogt. Hij bekende in het interview ook dat hij altijd weer – tegen beter weten in - hoopt dat er op een dag een gebeitelde steen opstaat en wandelt…
Ik herken deze ambitie. Een ambitie, die meer is dan een (post -) puberale overmoed.
Het is wat we in de ritualistische tradities “bezieling” noemen.
In rituelen worden voorwerpen en materialen op allerlei manieren met grote zorgvuldigheid gewassen, toegesproken, betast, gewreven, bekust en bedaan. Door deze actieve bezieling krijgen de materialen en voorwerpen hun kracht en de macht om te bewerkstelligen waarvoor ze zijn. Ze worden, soms heel letterlijk, tot leven gewekt. (In de katholieke riten wordt Wijn Bloed en Brood verandert in lichaam)
Door de bezielde handelingen, woorden en materialen worden de deelnemers aan het ritueel op hun beurt ook bezield en krijgen daar uit de moed en de kracht en ervaren zin in dat wat ze doen of moeten doen.
Het schilderproces is een stapeling van die wonderlijke momenten, waarin er vanuit de verf IETS ontstaat.
De opeenvolging van bezielde momenten brengt leven in de materie en brengt een ontstaansgeschiedenis teweeg:
Hier is thema van deze lezing:
Schilderend wordt in wisselwerking alledaagse neutrale dode materie gevitaliseerd tot een zinderend levendige samenhang:
Steeds weer is er die poging tot de ultieme Gestaltverwandlung.
Ik maak vanuit olie, pigmenten, bladgoud, zand en verf een vibrerend fenomeen. Ik organiseer een ontstaansgeschiedenis.
En dan. Hoe bewegelijk het maken van een schilderij ook is. Uiteindelijk stolt het en is het stil.
Het schilderij is een schone slaper, die door de ontvankelijke kijker wakker gemaakt kan worden en tot leven gewekt. De kijker continueert met zijn aandacht de ontstaansgeschiedenis.
Als schilder heb ik daartoe de eerste aanzetten geven.
Even een uitstap naar India. Sinds 1974 kom ik in India. Het Indiase leven is een manier van kijken, denken en doen, die mijn werk en leven intens beïnvloedt. Ik ben voel me er op een onverklaarbare manier erg thuis.
Speciaal voor het leren kennen van rituelen ben ik tweemaal met de focus daarop door het land gereisd. Ik heb gekeken.
Gekeken naar de handelingen, de gebruiken, de gebaren, de fantastische wassingen met water, olie en melk. Gekeken heb ik naar de bloemen, het vuur, het reciteren gehoord en dat alles het liefst in het dagelijkse gedoe van de kleine tempel om de hoek.
Misschien heeft de overdaad van India de tekenaar die ik was, leren schilderen.
Laten we het over Tapas hebben.Niet het Mexicaanse gerecht maar: Tapas.
TAPAS is de in het Sanskriet het woord voor HITTE.
De zinderende hitte, die zowel het leven ìs, als het leven verwèkt. ‘Tapas doen’ is een actieve vorm van meditatie waarin de yogi zich op het pulserende niveau begeeft van vuur, passie, transformeren en broeierig fermenteren, kortom het niveau waar onze vitaliteit en vruchtbaarheid zich in de meest pure ongrijpbare vorm manifesteert.
Ik las over het fenomeen Tapas in het boek KA van Roberto Callasso. En onmiddellijk zag ik een verband met mijn altijd weer terugkerende gebruik van Rood.
U kunt het zich misschien voorstellen: er wordt vaak aan mij gevraagd. Waarom Rood? Waarom speelt Rood een zo pregnante rol in je werk?
Rood was ( jaren geleden) in eerste instantie gebrande-sienna, het warme roodbruin uit Toscane. Puur en intens van kleur.
Het kwam in mijn beeldend werken op als behoefte aan lichamelijke warmte. Fysiek gekweld door chronische pijn en kou, die mijn gezondheid ondermijnde, was de gloed van gebrande-sienna gemengd met lijnolie als een helende zalf, die me niet werd voorgeschreven. Het was een middel dat zich in mijn beeldend werken organisch aandiende.
Intussen is Rood een katalysator in mijn werk. It keeps me going. Rood maak ‘t schilderij lijfelijk, aards, zinnelijk en zintuiglijk.
Rood is ook ons binnenste. Ik verbaas me altijd dat in de psychologische beschouwing bij introspectie vergeten wordt wat een peristaltische, bloeddoorlopen drillend massa het in ons diepste binnenste is.
Rood is ons leven. Rood, daar kan je in opgaan.
Mijn antwoord op de vraag: Waarom Rood? is TAPAS
Schilderend verbind ik me met Rood. Een in zichzelf broeiend levendig antwoord in vele schakeringen.
In het schilderen van rood kom ik tot vorm en balanceer ik tegelijkertijd in een wankele onophoudelijke beweging. Rood is een zinderende beweging. Een beweging, die we meestal Leven noemen.
Of misschien wel Ziel, maar dat weet ik niet zeker.
4. Vormgeven in en aan het leven
Het laten ontstaan van IETS is natuurlijk niet voorbehouden aan kunstenaars en sjamanen. Het laten ontstaan van IETS is een vorm van bezieling, die we in het dagelijks leven op allerlei manieren steeds weer doen.
Een voorbeeld.
De manier waarop we van een huis een thuis maken is hetzelfde principe. We maken keuzes van vloer - en wandbekleding, kleuren en kiezen spullen en gordijnen en door de plaatsing die persoonlijk spullen is de - eerst nog - neutraal ommuurde ruimte plotseling (of soms tergend langzaam, geleidelijk aan) ons thuis.
Niet alleen door onze aandachtige keuzes, maar vooral door dat wat we ‘zo maar’ doen en neerzetten in het huis, raakt de ruimte bezield.
Voor hen die vaak verhuisd zijn, is het duidelijk wat voor ritualistische acties en volgorden je hebt om het kale huis te transformeren tot uw persoonlijke thuis.
Laat eens iemand tijdens uw afwezigheid in uw huis wonen. We gaan er even vanuit dat diegene, vòòr uw thuiskomst, het huis zorgvuldig in de goede staat heeft achtergelaten.
U komt thuis.
En ziet wat u doet: op allerlei manieren herschikt u uw spullen, zet ze net even zo dat ze weer staan zoals u het graag wilt hebben.
Soms uit persoonlijk - praktische overwegingen, maar meestal uit ‘nutteloze’ (vaak emotioneel - esthetische) motieven.
Met wat opruimen en herschikking klopt weer en ademt het huis weer de vertrouwde sfeer van uw thuis.
Enorme ontreddering wordt er geschapen als een doortastende moeder de uit de hand lopende rotzooi op de kamer van haar puberkind opruimt.
Of - nog erger - schoonmaakt! “Het is MIJN kamer!”wordt er wanhopig geroepen. “Nu kan ik niks meer vinden.”
Het gaat ( het scherp van de snede) over het kunnen vormgeven van de eigen ordening – het eigen leven. Het is deze vaardigheid (en kennis) van vormgeving, waar ik – als therapeut – in therapie een appél op doe.
Meestal is de cliënt ongelukkig met de huidige vormgeving van zijn leven en is onmachtig om tot een noodzakelijke transformatie te komen. Of in de termen van deze lezing: de Gestaltverwandlung vindt niet plaats.
Mijn therapeutische benadering is overeenkomstig en is eigenlijk hetzelfde met de aanpak die ik heb tijdens het maken van een schilderij:
Ik ben en blijf de vormgever, die er op uit is IETS te laten ontstaan. IETS DAT KLOPT.
Als therapeut creëer ik de randvoorwaarden waarbinnen de cliënt de eigen vormgeving kan laten ontstaan en leren hanteren.
5. Vormgeving is zingeving.
Die twee heb ik al lang geleden aan elkaar gekoppeld. Altijd in twijfel of dit niet erg kort door de bocht is geformuleerd, was ik dan ook erg blij om in ‘Sferen’ van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk te lezen dat hij hetzelfde zei: Formgebung ist Sinngebung.
Het maken van een huis tot een thuis is een simpele zeer alledaagse illustratie van hoe vormgeving ‘zin’ maakt.
Uit: Huid en Ziel 1999
Maken is een manier van denken. Tastbaar denken in beweging en materiaal. Het zijn ontstaansgeschiedenissen, die ik maak. Zoals ons lichaam. Onze geschiedenis schuurt, wast en kerft in een aaneenschakeling van transformaties, die voortkomen uit de alledaagse processen van gericht kiezen en bewogen worden.
Kijkend naar dat wat ontstaat wordt soms iets zichtbaar dat levensvatbaar is. Iets wat mij beweegt
Tijdens het schilderen maak ik zin:
Aandachtig voor dat wat ontstaat - zoveel mogelijk open voor beïnvloeding van buitenaf, voor dat wat er om me heen gebeurt - krijgen de vegen en vlekken in alle voorlopigheid hun plaatsing.
De meervoudige ‘stapeling’ van de transparante lagen intensiveert de kleuren en kijk! De ontstane vormen krijgen in groeiende mate een onderlinge – zinvolle - samenhang.
Zinvol. Zin is een persoonlijke intieme ervaring.
Zin-hebben en zin-ervaren zijn nauw met elkaar verbonden. Alle beweging die we vitaal met overgave en aandacht doen, heeft klaarblijkelijk zin.
(ook weten we de rede niet noch het waarom)
Ik ga verder op mijn manier van zingeven en vormgeven.
? plakboeken en doeken met print laten zien.
Ik maak al zo’n 20 jaar plakboeken. Ik knip foto’s uit kranten en tijdschriften. (Ik ben een nieuwsfreak. Verslaafd aan kranten, actualiteitenprogramma’s en tijdschriften).
Ik verzamel gegevens ( vooral beeldmateriaal) over de ingrijpende gebeurtenissen van onze mondiale samenleving, ik noem wat:
- De Grote Volksverhuizing, die onstuitbaar gaande is.
- De oprukkende virtuele wereld en de vloedgolven van interactieve communicatie, waardoor wij overrompeld worden. Dag en nacht staan we in open verbinding via vezelkabels en GSM systemen.
- Er is de opluchting van het verloren gaan van de Grote Ideeën en tegelijkertijd is er ook het gemis daarvan.
Ik heb een niet-aflatende verbazing wat mensen elkaar aandoen.
Dat veroorzaakt een mengeling van verontwaardiging, ontroering en vertedering.
Dát alles verzamel ik. Het is mijn manier om voeling te houden met dat wat er gebeurt.
Het is mijn manier om me niet af te sluiten en me echt verhouden tot de waanzin, de verbijstering en de opwinding van het Grote Gebeuren.
Het (vaak te) Grote Gebeuren dat meestal ver weg, via de massa-communicatie toch dichtbij komt en ons leven beïnvloedt – om niet te zeggen infiltreert.
Het is ook een manier om die overrompelend snel veranderen de Grote Beweging van onze globaliserende samenleving te verteren. Te vermalen in een vorm die haar niet versimpelt tot karikaturen.
Karikaturen. Ik heb ze in mijn leven veel getekend – maar ik wil me niet elke dag met one-liners en George Bush bezighouden. Daar wordt ik letterlijk simpel van.
In de plakboeken maak ik collages, waarin ik de complexiteit van wat er gebeurt, laat bestaan. Ik knip, scheur, wik, schik en herorden. Het Grote Gebeuren van ver weg, komt op die manier heel dichtbij.
Mijn schilderijen komen voort uit de plakboeken. De beïnvloeding is groot. Ik wordt er (emotioneel) door bewogen en vanuit die beweging ontstaan geleidelijk aan de schilderijen.
Rainer Werner Fassbinder heeft ooit gezegd dat hij met zijn werk die Leute verunsichern wilde.
Van dat wat ik om me heen zie en vanuit massacommunicatie verzamel, lijkt het me dat de hedendaagse Leute niet meer verunsichert hoeven te worden.
In mijn schilderijen balanceer ik - meebewogen door Grote Gebeuren en probeer me er toe te verhouden.
Nog een keer naar het atelier:
De afgelopen voorjaar overleden Karel Appel. vertelde eens hoe hij een schilderij ‘klaar-kijkt’.
Zonder het schilderij nog aan raken, zit hij uren en kijkt. En op een gegeven moment is het schilderij klaar.
Ik herken dat. Ik snap opeens mijn wonderlijke gedoe bij het voltooien van een schilderij:
Een klaarblijkelijk voltooid schilderij staat op de ezel.
Meestal is er minimaal een half jaar verstreken tussen het aanbrengen van de eerste lagen en de uiteindelijke voltooiing.
Daar staat ie dus. Klaar. Ik ga niet zitten (zoals Karel Appel), Ik loop heen en weer en doe bedrijvig. Ik pak allerlei andere dingen aan en in het voorbij gaan kijk ik . Soms terloops, soms heel gericht. Het lijkt op een kat die quasi nonchalant de zojuist gevangen muis laat liggen om de prooi dan plotsklaps te bespringen.
Ik bekijk de details nauwkeurig van heel nabij of draai me plotseling om als ik op afstand bij de wasbak de kwasten aan het schoonmaken ben.
En dan eindigt de onrustige rituele dans in een milde accepterende kijk.
(Zo niet, dan is het schilderij blijkbaar toch niet klaar en zet het maken zich voort)
Als die milde accepterende kijk wèl komt:
Opeens is er dan rust.
Ik kan erbij gaan zitten, neem wat te drinken en kijk. Ik verwelkom het nieuwe fenomeen.
Ik sluit vrede met dat wat ontstaan is: het mag er zijn zoals het er is.
Het is de laatste fase van het proces van bezielen.
Het is de laatste Gestaltverwandlung, die ik als schilder doe.
Daarna is het schilderij is niet meer van mij. Ja, ik heb er ongelofelijk part en deel aan. Ik zie mijn ‘handschrift’, mijn sporen en ingrepen. Ik ken deze ontstaansgeschiedenis van voor tot achter.
En toch kijk ik naar iets nieuws.
Ik zit en verander van de schilder in een kijker. Ik kijk en (net als iedere andere geïnteresseerde kijker na mij) doe ik een poging tot kennismaking met dat wat er tot dan toe nog nooit is geweest.
Het is dezelfde aandacht die in therapie een cliënt doet opbloeien.
Het is de milde accepterende aandacht, waarmee ik de cliënt als medemens zie. Een medemens waarmee ik (als therapeut) een poging doe tot kennismaking.
Tot slot Joseph Beuys
Joseph Beuys maakte in 1972:
Rückenstütze eines feingliedrigen Menschen (Hasentypus) aus dem 20. Jahrhundert p. Chr.
Hoewel het werk zelf een intrigerend geheimzinnig ding is, ben ik vooral gegrepen door de fantastische troostende titel.
Hier staat wat de kunsthistoricus Anold Hauser ooit beschreef als:
‘ The artistic act is a remedy for the incomplete fragmentary form of life.‘
Het wordt me duidelijk - mede door het maken deze lezing.
Dít is de richtlijn in mijn werk.
Ik realiseer me hoezeer ik beïnvloed wordt door mijn therapeutisch werk.
Ik word bewogen door de maatschappelijke ontwikkelingen, onafwendbaar aanwezig in zowèl mijn therapeutisch werk, als in die wonderlijke plakboeken over het Grote Gebeuren van de Tijdgeest.
Schilderend ben ik ermee in wisselwerking en verteer ik de indrukken tot stille rode fenomenen.
Ik probeer Rückenstütze te maken.
Bakens zijn het:
Bakens voor de fijn-gebouwde mens aan het begin van de 21ste eeuw.
Dat is mijn intentie.
Gelukkig zijn schilderijen meerduidig en ontstaat er bij de kijker steeds weer dat wat hij ziet in de aanleiding, die ik met het schilderij gegeven heb.
U bent welkom om te kijken en u op uw manier te verhouden.
In de wisselwerking die u met het schilderij aangaat, ontstaat uw Gestaltverwandlung.
Daar ga ik, als kunstenaar, niet meer over. Het schilderij gaat een eigen leven.
Ik dank u voor uw aandacht.
Amsterdam oktober 2006